Indeling en benaming van lasprocessen

Indeling en benaming van lasprocessen: zo lees je de cijfers en kies je het juiste proces 

Wie met verschillende lasprocessen werkt, merkt al snel dat namen per taalgebied verschillen, terwijl we hetzelfde bedoelen. Daarom is er een eenduidige indeling met referentienummers afgesproken. Zo praat de ontwerper, de werkvoorbereider en de lasser over exact hetzelfde proces, ongeacht taal of merk. De kern is eenvoudig: elk lasproces krijgt een uniek cijfercode. Het eerste cijfer vertelt de hoofdgroep, de rest verfijnt het tot het concrete proces.

Waarom een cijferindeling?
Omdat er veel processen zijn én omdat lasprocesnamen per taal verschillen. Met een nummer zet je misverstanden buitenspel. Op tekeningen, in procedures en in WPS’en volstaat één code om glashelder vast te leggen waarmee gelast moet worden. Dezelfde systematiek is er naast lassen ook voor snij-, guts- en soldeerprocessen, maar hier zoomen we in op lasprocessen.

Hoe werkt die indeling?
Het eerste cijfer is de familie. Begint de code met een 1, dan heb je het over booglasprocessen. Een 2 markeert weerstands­lasprocessen. Een 3 staat voor autogeenprocessen. Met de twee of drie cijfers erachter leg je het exacte proces vast. Zo ontstaat een compacte, universele aanduiding die op tekening, in de lasdocumenten en in de calculatie hetzelfde betekent.

Booglassen: de eerste familie
Bij booglassen gebruik je de warmte van een elektrische boog om werkstuk en eventueel toevoegmateriaal te smelten. De code begint met 1. Beklede elektrode herken je als 111. Je werkt met een afsmeltende beklede elektrode; de boog ontstaat tussen elektrodepunt en werkstuk en de bekleding levert slak en bescherming. MIG/MAG vallen onder dezelfde familie, maar krijgen eigen codes door het beschermgas en de wijze van draadtoevoer. Met inert gas en een massieve aluminiumdraad spreek je over MIG met code 131. Met actief gas voor en een massieve draad voor staaltoepassingen wordt dat MAG, of te wel 135. Het TIG-proces gebruikt een niet-afsmeltende wolfraam elektrode; de boog brandt tussen wolfram en werkstuk en het toevoegmateriaal voeg je separaat toe. De code voor dit proces is 141. TIG lassen zonder toevoegmateriaal is 142. In alle gevallen zegt de 1 dat het booglassen is; de vervolgcijfers vertellen welk proces en variant van het boogproces precies bedoeld is.

Weerstandlassen: elekrische warmte zonder open boog
Hier ontstaat warmte door elektrische weerstand op het raakvlak tussen de delen. De familiecode begint met 2. Puntlassen leg je vast met 21, waarbij twee koperen elektroden onder druk en stroom een puntverbinding vormen. Rolnaadlassen herken je als 22; de elektroden zijn rollen, waardoor een aaneengesloten naad ontstaat. Geen zichtbare boog, wel gecontroleerde warmte-inbreng op de juiste plek.

Autogeenlassen: vlam als warmtebron
Bij autogeenlassen komt de warmte uit gasverbranding. De familie begint met 3. Het klassieke zuurstof-acetyleen lassen leg je vast met code 311; je regelt de vlam met reduceertoestellen en brander, en smelt zo de rand van de delen en eventueel toevoegmateriaal samen. Handig voor dun plaatwerk en leidingen, en nog steeds relevant in onderhoud en montage.

Waar heb je die codes concret voor nodig?
Op werktekeningen zie je naast de lasafmetingen vaak ook het procesnummer. Een hoeklas met “111” instrueert direct: beklede elektrode gebruiken. In een WPS zet je met één code vast welk proces wordt bedoeld, inclusief bijpassende gassoort, draad/elektrode, parameters en lasvolgorde. Ook in inkoop en kwaliteitscontrole voorkomen die nummers ruis: iedereen bedoelt hetzelfde proces en dezelfde randvoorwaarden.

Samengevat
Eén systeem, één taal. Het eerste cijfer vertelt de familie, de rest het exacte proces. 111 staat voor beklede elektrode, 131/135 voor MIG/MAG, 141 voor TIG, 21 en 22 voor weerstandspunten en -rollen, en de 3xx-codes voor autogeen varianten. Door die sleutel consequent te gebruiken, leg je op tekening en in procedures ondubbelzinnig vast hoe gelast moet worden en krijgt de lasser precies de informatie die telt.